Femke Kaulingfreks is lector Jeugd en Samenleving bij Hogeschool Inholland te Amsterdam. Ze is afgestudeerd politiek filosoof, antropoloog en pedagoog en schreef onder meer het boek “Straatpolitiek” (2017) over hoe jongeren met een migratieachtergrond buiten de gebaande paden om hun betrokkenheid bij de samenleving uiten. Verder is ze medeauteur van ‘Speelruimte voor Identiteit’ (2022) over hoopvolle pedagogische praktijken die bijdragen aan veerkrachtige identiteitsvorming van jongeren. Op 22 september houdt zij een lezing over sociale veerkracht tijdens het congres Jeugd in Onderzoek.

‘Veerkracht is geen eigenschap van een persoon, maar van een netwerk’

Bevorder de veerkracht van jeugd! Mooi gezegd, maar hoe? Dat kan – en moet – op verschillende niveaus, betoogt lector Jeugd en Samenleving Femke Kaulingfreks. “Een holistische kijk op sociale veerkracht legt de verantwoordelijkheid bij álle burgers, beleidsmakers en professionals.”

Waarom kijk jij eerder naar veerkracht dan naar kwetsbaarheid van jongeren?

‘In elk van onze onderzoeken en projecten zeggen jongeren dat ze niet als kwetsbaar aangeduid willen worden. Kwetsbaarheid vormt geen onderdeel van hun identiteit, vinden ze. Een kind kan natuurlijk wel in een kwetsbare positie verkeren –om kansenongelijkheid kunnen we niet meer heen.

Jongeren praten liever vanuit een positieve benadering. Zo gaven veel jongeren hun leven in ons onderzoek naar de ondersteuning van jeugd in overgang naar volwassenheid een “ruim voldoende” tot “goed”, terwijl wij als onderzoekers soms dachten: nou, heftig allemaal! Bijvoorbeeld bij een meisje dat veel ruzie had met haar moeder, vanwege corona ook nog eens niet naar school of andere vrijetijdsbezigheden kon en door haar moeder uit huis werd gezet. Ze trok in bij haar vriendje en vond gelukkig een baantje op een zorgboerderij. Wij dachten: wat een kwetsbare situatie. Zij vond: goed opgelost, ik ben tevreden over mijn leven.’

Wat is het verschil tussen veerkracht en weerbaarheid?

‘In onderzoek lees je vaak het concept resilience, wat veerkracht én weerbaarheid betekent. De afgelopen jaren lag de nadruk echter op weerbaarheid en daarmee op risicofactoren. Wat bedreigt jongeren in hun ontwikkeling en hoe voorkomen we dat ze daar negatief door worden beïnvloed? ’

“Help jongeren hulpbronnen aanboren in hun omgeving”

Steeds vaker vormen intussen de beschermende factoren het startpunt. Terecht, want kinderen en jongeren groeien op in een rijke opvoedcontext, met allerlei hulpbronnen die ze kunnen aanboren om met hobbels in het leven om te gaan. Of hulpbronnen waarmee professionals ze kunnen helpen. Denk aan sociale contacten stimuleren, bestaanszekerheid helpen waarborgen, zorgen voor gelijke toegang tot voorzieningen. Wat kunnen we jongeren daarin bieden? Dat is een positievere insteek, sluit beter aan bij hoe jongeren zichzelf zien en gaat uit van mogelijkheden.’

Jij stelt: zet in op sociale veerkracht. Wat is dat?

‘Sociale veerkracht is geen eigenschap van een persoon maar van een netwerk, een omgeving. Het is een sociaalecologische benadering: de maatschappij is een ecosysteem waarin alles wat zich er bevindt, beïnvloedt hoe gezond die omgeving is. Maar dan op sociaal gebied. Idealiter is het een systeem van groei en bloei waarin de verschillende elementen elkaar verder helpen, van klein tot groot. Dat idee vertalen wij naar de pedagogiek, waarmee opvoeding meteen niet meer alleen de verantwoordelijkheid is van ouders, en succesvol en gezond opgroeien niet meer alleen afhangt van een kind zelf.’

 Wat moeten we in zo’n ecosysteem vooral laten?

‘Te veel inzetten op het eigen handelingsperspectief. Denk aan de mantra van “eigen kracht”. Daarmee legitimeer je als overheid dat je niets doet en jongeren aan hun lot overlaat. Maar het is wel degelijk de taak van de overheid om te zorgen voor een eerlijke verdeling van kansen. Als overheid moet je iets doen tegen structurele maatschappelijke tendensen die ongelijkheid vergroten en zo armoede en institutioneel racisme in de hand werken, zoals lastig een (bij)baan of stageplek vinden als jongere van kleur of met een migrantenachtergrond.

Verder moet je het positief denken niet centraal zetten. Dat klinkt misschien gek, maar jongeren worden opgevoed met het idee van de participatiesamenleving: Als je maar hard genoeg werkt, kom je er wel. Dat legt (weer) de nadruk op individuele verantwoordelijkheid! En je verliest de solidariteit uit het oog.’

Een kind kan dus alleen veerkrachtig zijn in een veerkrachtige context?

‘Als je meer holistisch naar veerkracht kijkt, gaat het over toegankelijkheid van hulpbronnen op drie niveaus: individueel, relationeel en systemisch.’

Leg eens uit?

‘Veerkracht op individueel niveau zegt iets over eigenschappen en vaardigheden van

jongeren waardoor ze lekker in hun vel zitten en goed kunnen omgaan met uitdagingen. Hulpbronnen in de omgeving kunnen die stimuleren, zodat ze meer zelfvertrouwen krijgen of steun ervaren op moeilijke momenten.

Op relationeel niveau gaat het om mensen die zich inzetten voor elkaar, dat er voorzieningen in de wijk zijn om te sporten, kennis te maken met kunst en cultuur, een plek is waar jongeren zich thuis voelen – de moskee, kerk, een buurthuis, de snackbar waar het halve dorp komt.

Bij het systeem kun je denken aan ouders die werden gekort op hun uitkering omdat hun meerderjarige kinderen nog thuis wonen; de opkomst van dure koffietentjes ten koste van het buurthuis of lerarentekorten juist op scholen in achtergestelde wijken met te lage schooladviezen als gevolg. Ofwel beleid dat bestaanszekerheid aantast. Of juist stimuleert.’

Welke rol spelen zorg en welzijn, het onderwijs, de gemeente?

‘Al deze partijen moeten beseffen dat ze samen een sociaal veerkrachtig ecosysteem kunnen vormen. En hoe belangrijk het daarom is dat ze formele én informele netwerken voor jongeren toegankelijk maken. Nu hebben jongeren soms fijn contact met een mentor op school, maar raken dat kwijt als ze het onderwijs verlaten. Help jongeren aan blijvende relatie met een voor hem of haar belangrijke volwassene. Dat hoef je niet te institutionaliseren, het kan ook prima een bekende van een jongere zijn.

Verder is het voor een gemeente efficiënt en financieel aantrekkelijk om subsidie te verstrekken aan één grote welzijnsorganisatie die het jongerenwerk in de hele stad regelt. Maar buurten verschillen en juist die veelheid en diversiteit van projecten vullen elkaar aan. Denk aan het ecosysteem waar verschillende klein en grote organismen nodig zijn voor een rijke bodem.’

Zorg dus ook bínnen de 3 niveaus voor diversiteit om sociale veerkracht te bevorderen.

‘Precies. En ga uit van de behoeften en wensen van jongeren zelf. Durf daarbij out-of-the box te denken. Een mooi voorbeeld vind ik de aanpak tegen steekincidenten die met drillrap worden geassocieerd (Drillrap: online gedeelde muziekvideo’s waarin jeugdgroepen elkaar uitdagen en refereren aan geweld, MvD). Hoe stop je dat geweld? Team Enkelband maakte met 2 rivaliserende groepen een korte film, No Shank (shank is een mes, MvD). Daarin leggen jongeren uit wat het dragen van messen tot gevolg kan hebben, maar wel in de taal van de straat en op een manier die bij ze past. Team Enkelband zei dan ook: we gaan jongens niet weg houden bij drillmuziek, maar proberen de identiteit van deze subcultuur te versterken met een uitnodigende, positieve boodschap.’

“Maak van een jongere geen herstelplan”

Hoe creëer je een jeugdvriendelijke omgeving zonder te pamperen of problematiseren?

‘Werk samen met jongeren. Dat kan al op een klein niveau door de leerlingenraad werkelijk als gelijkwaardige partner te zien en niet als dat clubje dat schoolfeesten organiseert. Stop met gestandaardiseerde protocollen waar elke jongere in moet passen. Maak een jongere geen object van jouw diagnose en “herstelplan”. Bezie met oprechte interesse een jongere als gelijkwaardige partner in zijn of haar eigen ontwikkeling. Samen investeer je in sociale veerkracht, zodat jongeren hun eigen bijdrage kunnen leveren in een gezond ecosysteem.’

Tekst: Merel van Dorp, portretbeeld: Martin de Bouter, sfeerbeeld Studio Oostrum